Geen sjoemelsoftware in examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) heeft bepaald dat dyslectische leerlingen bij de toetsing van spellingvaardigheid geen spellingcontrole mogen gebruiken. Dat is terecht en logisch. Die toetsing is immers bedoeld om erachter te komen of iemand kan spellen en niet om te weten te komen of iemand gebruik kan maken van de spellingchecker op een computer.
En waarom zou een bepaalde groep van de kandidaten hulpmiddelen mogen gebruiken en de rest niet? “Examens moeten voor iedereen gelijk zijn”, stelde een woordvoerder van het ministerie van onderwijs. En gelijk heeft het ministerie. Validiteit, betrouwbaarheid en objectiviteit zijn immers de hoekstenen van examens.

Maar waar komt dan toch de opvatting vandaan dat dyslectische leerlingen bij taaltoetsen gebruik zouden moeten kunnen maken van “sjoemelsoftware” of andere “hulp”middelen?

Ik kan hier eigenlijk slechts één verklaring voor bedenken: men schiet door. Als het gaat om het toetsen van bijvoorbeeld aardrijkskundige kennis en vaardigheid is het uiteraard niet de bedoeling dat kandidaten met dyslexie daarbij slecht scoren doordat zij de opgaven niet goed of snel genoeg kunnen lezen. Verschillen in louter leesvaardigheid mogen hier geen invloed hebben op de score. Verklanking van de opgaven kan in dit geval helpen leesproblemen te elimineren. Uiteraard moet die verklanking dan weer voor alle kandidaten beschikbaar zijn om gelijke afnamecondities te garanderen.

Het streven om groepen kandidaten te compenseren voor specifieke beperkingen blijft hoe dan ook problematisch. Voor dyslexie is er veel aandacht. Moeilijke thuissituaties van kandidaten worden daartegen niet als een beperking gezien die om aanpassing in de examens vraagt. Hoe zou dat ook moeten? Ook zijn er geen maatregelen in gesprek om een laag IQ te compenseren. En wat te vinden van verschillen in de kwaliteit van de school en de docenten waar de kandidaten onderwijs hebben gevolgd?

Uiteindelijk is het ondoenlijk om iedere leerling in het examen individueel te compenseren voor zijn of haar beperking(en). Elk streven dat deze richting op gaat vermindert de waarde van de diploma’s en verzwakt de functie van toetsing en examinering als ijkpunt voor de beoordeling van kennis en vaardigheden in het onderwijs.

Er is nog een ander fundamenteel bezwaar om bepaalde groepen leerlingen andere toetsen of toetsen onder andere condities te laten maken zonder dit op de cijferlijst en/of het diploma te vermelden. Hiermee wordt namelijk de indruk gewekt, dat deze leerlingen er zonder “hulp” niet kunnen komen en dat een bepaalde mate van “fraude” maatschappelijk geaccepteerd, geoorloofd en zelfs noodzakelijk is. Dit is een signaal dat juist van het onderwijs niet uit zou moeten gaan.

Geen enkele manipulatie met toetsing en examinering kan woordblinde leerlingen leesvaardig maken, blinde leerlingen ziend noch dove leerlingen horend. Toetsen en examens die die suggestie moeten wekken en die aangepast worden om feiten te verdoezelen doen precies het tegenovergestelde van wat zijn moeten doen: duidelijke en bruikbare resultaten genereren.

Toetsing en examinering zijn dan ook alleen dan van waarde als iedereen langs dezelfde lat wordt gelegd. De gemeten prestaties kunnen vervolgens wel worden gezien in het licht van aanwezige beperkingen. Het ministerie heeft laten zien dat leerlingen ook met een 4,5 voor de rekentoets kunnen slagen zolang het onderwijs hen nog niet in voldoende mate in staat heeft gesteld minimaal een 5,5 te behalen. Dit betreft een beperking van het onderwijs. Dus waarom zouden bijvoorbeeld dyslectische leerlingen met een voor hen zeer achtbare 4,5 voor spellingvaardigheid of leesvaardigheid niet voor het examen Nederlands of een examen in een van de moderne vreemde talen kunnen slagen?

Het lijkt mij aanzienlijk transparanter en alleszins beter om leerlingen bij de zak-/slaagbeslissing te compenseren voor beperkingen dan door middel van manipulaties in toetsen en examens. Ik besef daarbij dat dat voor blinde en dove leerlingen niet zal lukken, maar ik hoop dat de politiek deze overwegingen toch betrekt bij de discussie over de toetsing spellingvaardigheid en de besluitvorming over toetsing en examinering in het algemeen.

2 gedachten over “Geen sjoemelsoftware in examens

  1. Ankie

    Halllo Helmut,
    Ik wist niet dat je een blog had. Een helder verhaal en goed onderbouwd. Ik twijfel alleen over de vergelijking die je maakt met andere beperkingen. We hadden er daar kort over. Ik denk dat daardoor ongewild een discussie over zou kunnen gaan, terwijl dat niet je doel is. Het gaat erom dat spellingcontrole toestaan betekent dat je bij de ene leerling wel wil meten of die spelling beheerst en bij de andere leerling niet. Ik heb het altijd al vreemd gevonden dat dyslectische leerlingen examen mochten doen onder andere voorwaarden om te kunnen slagen dan de leerling zonder dyslexie. Bovendien zijn er verschillende gradaties in dyslexie. Met de spellingcontrole toestaan, wordt de lichte vorm t/m de zware vorm gelijkgesteld.
    Van een andere orde, maar wat samenhangt met het probleem dyslexie: Ik zou graag willen dat men eens meer aandacht voor de problematiek bij het leren van Engels voor dyslecten had i.p.v. het promoten van Engels vanaf de basisschool. Ik vraag me af hoeveel dyslecten tweetalig onderwijs volgen. Een dyslectische leerling op h/v zou de keuze moeten hebben tussen Duits, Frans of Engels en niet zoals nu sowieso Engels verplicht. Die taal is veel moeilijker voor dyslecten. Ik zal Henri eens vragen naar het aantal dyslecten bij tto.

    Hartelijke groet,

  2. Margriet

    Compenseren, kan, maar hoeveel dan? En er zijn ook weer gradaties in dyslexie, moet je die dan ook weer meewegen? Nog niet zo eenvoudig. Hoe dan ook, compenseren of toch hulpmiddelen toestaan, het blijft rommelen in de marge. Geeft niks, maar: zeg wat je doet. Dus wat mij betreft kiest men voor één regeling en vermeld het gebruik ervan op het diploma van de kandidaat. Transpant, toch?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *